standaard letters
grote letters
extra grote letters
DIAGNOSE VAN DE SCHILDKLIERAANDOENING

 

Schildklierhormoon bepaling
Bij een vermoeden van een te snel werkende schildklier zal de huisarts of de internist meestal eerst de schildklierwaarden onderzoeken. Deze bepaling wordt gedaan middels het afnemen van een buisje bloed. Men hoeft hiervoor niet nuchter te zijn of andere zaken te doen of te laten. De afname kan dus op elk moment van de dag geschieden.

Om de hoeveelheid schildklierhormonen te bepalen worden de twee hoofdbestanddelen van bloed: de bloedcellen en het bloedserum gescheiden. In het bloedserum bevindt zich het Schildklier Stimulerend Hormoon -TSH- dat door de hypofyse (een kliertje in de hersenen vlak achter de ogen) wordt aangemaakt èn het schildklier hormoon. Meestal wordt het vrij schildklierhormoon bepaald: FT4 en FT3, dat is het schildkier hormoon in het bloed dat in het lichaam direct beschikbaar is voor gebruik (zie 'De ziekte van Graves' -> De schildklier).

De hypothalamus, een kliertje vlak boven de hypofyse, registreert hoeveel schildklierhormoon er is in het bloed. Als dit te weinig is, dan stuurt de hypothalamus een TRH hormoon als boodschapper naar de hypofyse. TRH staat voor 'Thyrotropin Releasing Hormone' dat vertaald kan worden als 'TSH Vrijmakend Hormoon'. De hypofyse, die deze boodschap ontvangt, zal vervolgens het TSH hormoon gaan aanmaken. TSH is de afkorting van: ‘Thyroid Stimulating Hormone’. De hypofyse stuurt dus een TSH boodschap naar de schildklier: Maak schildklierhormoon aan! De schildklier reageert op dit TSH hormoon in het bloed door schildklierhormoon te produceren.

Bij de ziekte van Graves ziet men doorgaans een verlaagd TSH en verhoogde schildklierhormoon T4 en T3 waarden. Heeft men echter een te langzaam werkende schildklier, dan is het vaak andersom, dan is de TSH verhoogd en zijn de schildklierhormonen T4 en T3 verlaagd.

Ook worden bij bloedonderzoek de zogenaamde ‘antistoffen’ bepaald die kunnen voorkomen bij Graves. Één van deze antistoffen wordt Schildklier Stimulerende Afweerstoffen genoemd, bekend als Thyreoïd Stimulerende Immunoglobine, afgekort TSI.

Er zijn referentiewaarden voor al deze hormonen die aangeven of een schildklier ‘normaal’ functioneert. Let wel: Als de bloedwaarden binnen de referentiewaarden zijn, wil dat echter niet zeggen dat een patiënt zich ook goed voelt, ook niet als een patiënt voor de ziekte reeds uitbehandeld is. Belangrijk is dat eventuele nog bestaande restklachten altijd aan de arts worden gemeld en dat niet vanzelfsprekend wordt aangenomen dat de patiënt ‘beter’ is als de gemeten bloedwaarden aan de standaarden voldoen.
Zo blijkt bijvoorbeeld dat veel patiënten zich optimaal voelen als zowel het FT4 als de FT3 hoog binnen de referentiewaarden vallen. Het kan ook zijn dat er verder gezocht dient te worden naar andere mogelijke oorzaken voor de klachten.

· Afbeelding referentieschema op blz. 25 van boekje De oogziekte van Graves.

Normaal, verhoogd of verlaagd?
Uit de onderlinge verhouding van de serumwaarden van TSH en FT4 kan uw huisarts of internist reeds veel concluderen. Onderstaande tabel laat een aantal variaties op het thema zien (die op deze site niet verder worden besproken).
Stoornissen met de hypofyse of hypothalamus kunnen bijvoorbeeld eveneens ingrijpende gevolgen hebben voor een verstoorde schildklierfunctie. Dit heet centrale hyper- of hypothyreoïdie. Het leidt tot een zelfde scala aan klinische problemen. Dit is echter niet de oorzaak van de ziekte van Graves welke een primaire hyperthyreoïdie is, d.w.z. er is een probleem met de schildklier zelf. Een schildklierstoornis veroorzaakt door de hypofyse heet secundaire hyper- of hypothyreoïdie, ligt de oorzaak bij de hypothalamus dan noemt men het tertiair.

· Afbeelding referentieschema op blz. 36 van boekje De oogziekte van Graves.

Zie voor meer uitleg over interpretatie van de bloedwaarden het boekje ‘Graves Informatie’ bij ‘Publicaties en Artikelen’.

Omdat bekend is dat een te snel werkende schildklier een latent aanwezige oogziekte van Graves kan verergeren, willen de internisten bij het voorkomen van oogklachten zo goed mogelijk geïnformeerd zijn over die schildklierfunctie. Daarom zal de internist in sommige gevallen een wat verfijnder onderzoek naar de schildklierfunctie instellen. Dit onderzoek wordt de TRH-test genoemd. Het ‘Thyrotropin Releasing Hormone’ wordt door de hypothalamus aangemaakt. Heeft iemand verhoogde FT4 en FT3 waarden (dus een te snel werkende schildklier) dan zal deze persoon na toediening van TRH geen verhoogd TSH krijgen. Tegenwoordig is de TRH-test vrijwel nooit meer nodig omdat de TSH-bepaling heel gevoelig is geworden.

Keelpijn of moeite met slikken

De patiënt kan ook last hebben van keelklachten zoals keelpijn met een drukkend gevoel op de keel of moeilijk kunnen slikken. Dit wordt mogelijk veroorzaakt door een ‘struma’, dat is een verdikking van de hals door een opgezette schildklier. Bij afwijkende bloedwaarden of keel en/of oogklachten wordt u doorverwezen naar een internist (bij voorkeur een endocrinoloog) of oogarts (bij voorkeur een orbitoloog). De ziekte van Graves vereist specialistische behandeling.

De endocrinoloog zal de schildklier verder onderzoeken middels lichamelijk en afbeeldend onderzoek. De arts kijkt eerst naar de schildklier en bevoelt deze waarbij u gevraagd kan worden te slikken. Er wordt gekeken naar de aard en grootte van de zwelling van de struma. Is deze diffuus of zijn er één of meerdere knobbels (noduli) aanwezig? De schildklier wordt ook beoordeeld op consistentie, de beweeglijkheid en de samenhang met de huid of onderliggende weefsels. Bij verdenking op hyperthyreoïdie kan de arts ook nog luisteren of er een geruis is over de schildklier. Hoort de arts dat geruis, dan bewijst dat de aanwezigheid van hyperthyreoïdie. Middels afbeeldend onderzoek zoals een echografie van de schildklier en/of een schildklierscan kan vervolgens verder onderzocht worden wat de precieze aard en activiteit is van het verstoorde schildklierweefsel.

Echografie van de schildklier
Tegenwoordig wordt echografie veel gebruikt als onderzoeksmethode. Het voordeel van dit onderzoek is dat het weinig belastend is en vaker kan worden herhaald omdat het geen stralingsrisico met zich meebrengt.
Via geluidsgolven worden de schildklier en omgeving afgetast. De teruggekaatste echo's worden geregistreerd. Verschillende weefsels en overgangen laten verschillende echo's zien. De grootte van de schildklier kan zo bepaald worden, ook het al of niet aanwezig zijn van knobbels.

Nucleaire diagnostiek schildklierfunctie
Op de afdeling nucleaire geneeskunde wordt de functie van de schildklier (of andere organen) onderzocht met behulp van zogenaamde isotopen. Dit zijn moleculen die licht-radioactieve deeltjes uitzenden. Om een bepaald orgaan in beeld te brengen, wordt een radioactief-gelabelde stof (stof gemerkt met een isotoop) oraal of via een infuus in de arm toegediend die speciaal wordt opgenomen door het te onderzoeken orgaan, zoals jodium of technetium voor de schildklier.

Bij het ene orgaan gaat dit snel en kunnen bij de patiënt meteen foto's worden gemaakt (scintigram of scan), dit is ook afhankelijk van de aard van de radioactiviteit. Bij andere organen duurt de opname langer en kan er pas later een scan gemaakt worden. Zo'n scan wordt dan gemaakt met behulp van een camera die de uitgezonden straling opvangt en omzet in signalen waardoor er een plaatje van gemaakt kan worden. Voor de diagnostiek wordt in het algemeen gebruik gemaakt van 'kort levende' isotopen (die zijn weer snel het lichaam uit of verliezen snel hun radioactiviteit) in een lage dosering. Dit om de radioactieve dosis zo laag mogelijk te houden. Als u zwanger bent, of bij vermoeden van zwangerschap dient u dit voorafgaand aan de onderzoeken te melden bij uw arts.

Schildklierscan (scintigrafie) of Uptake
Aan de hand van een schildklieruptake meting kan de opname van jodium in de schildklier berekend worden en daarmee kan worden bepaald of de functie van de schildklier normaal, te snel of te langzaam werkt. Tevens wordt de functie van de schildklier onderzocht op vorm, grootte, de ligging en de stofwisseling van de schildklier.

Hiervoor krijgt u een kleine hoeveelheid van een licht radioactieve stof, het jodium 123 in een drankje (oraal) of intraveneus (in de arm) toegediend. Na de injectie voelt u van deze stof verder niets. Bij het meten zit u op een stoel met een zogenaamde detector, een Gammacamera, voor uw hals om de activiteit in de schilklier te meten, dit is de Uptake. Gemeten wordt hoeveel van het Jodium door de schildklier is opgenomen. Met behulp van een computer waarmee de gammacamera verbonden is worden de opgenomen gegevens verwerkt tot een foto van de schildklier(scintigram).