Diagnose
door de huisarts
Een goed geïnformeerde huisarts is goud waard want bij herkenning van
simpele oogklachten zoals een gevoel van zandkorrels in de ogen, of een branderig,
jeukend gevoel is het voor de patiënt belangrijk om direct te worden
doorverwezen naar zowel een internist als oogarts om verdere escalatie van
de oogziekte te voorkomen.
Veel patiënten klagen in dit stadium ook over overmatig tranende ogen
(epiphora). Dit komt doordat het hoornvlies (cornea) uitdroogt of doordat
de traanklier minder vocht aanmaakt. Het oogwit wordt snel geïrriteerd
en rood. Door deze irritatie, die sneller optreedt in de wind of in een vertrek
met airconditioning, kunnen er juist weer traanklachten ontstaan (reflectoire
traanaanmaak). Dat kan bijvoorbeeld erg op hooikoorts lijken. Ook kunnen
er ‘wallen’ onder en/of boven de ogen zijn ontstaan.
Het is van belang dat deze relatief onschuldige symptomen van de oogziekte
in een zo vroeg mogelijk stadium worden onderkend en behandeld, zodat onnodige
verergering wordt voorkomen. Bij extreme gevallen kan behandeling door operatieve
ingrepen door de specialist echter worden uitgesteld totdat de oogziekte
is uitgeblust, behalve als het zicht bedreigd wordt.
Orthoptisch onderzoek
Het woord 'orthoptie' komt uit het Oudgrieks en betekent 'recht kijken'.
Het orthoptisch onderzoek wordt gedaan door een orthoptist. Dit is
iemand die zich bezighoudt met onderzoek, diagnostiek en niet-operatieve
behandeling van stoornissen van het zien met twee ogen samen, zoals
scheelzien, dubbelzien en oogbewegingsstoornissen. De orthoptist
onderzoekt de beweeglijkheid van de ogen.
De meeste mensen met de oogziekte van Graves krijgen vroeger of later
te maken met een orthoptist, hetzij omdat de patiënt dubbel ziet,
hetzij om de oogstand vast te laten leggen voordat er met een behandeling
wordt begonnen. Ook tijdens een behandeling wordt regelmatig orthoptisch
onderzoek gedaan om veranderingen in de oogstand op te sporen.
De orthoptist geeft het resultaat van het onderzoek door aan de oogarts
en bespreekt de behandelingsmogelijkheden van het eventuele dubbelzien.
Mede op grond van het schema van de oogbewegingen wordt bepaald welke
operatie aan welke oogspier(en) het beste resultaat kan (kunnen) geven
voor enkelzien in de belangrijkste kijkrichtingen.
Oogheelkundig onderzoek
De oogarts of orbitoloog verrichten oogheelkundig onderzoek.
De eerder genoemde symptomen van de oogziekte -al dan niet in combinatie
met uitpuilende ogen en een vergrote ooglidspleet- zal de specialist
op het spoor zetten van de oogziekte van Graves.
Bij de oogarts wordt de gezichtsscherpte gemeten en de uitpuiling
van de ogen vastgesteld. De afstand tussen de oogleden evenals de
oogdruk
worden gemeten, het hoornvlies en het netvlies worden geïnspecteerd.
Voor latere vergelijking wordt een serie portretfoto’s gemaakt.
Om de verdikking van de oogspieren te kunnen beoordelen wordt een serie
speciale röntgenfoto’s (CT-scan) gemaakt. Het echo-onderzoek
wordt gedaan om te zien of zich al littekenweefsel heeft gevormd in
de oogspieren.
Afhankelijk van de aard en omvang van de klachten zullen één
of meer van de volgende onderzoeken worden verricht:
- Een volledig oogheelkundig onderzoek
- Een orthoptisch onderzoek (dit is een onderzoek naar de beweeglijkheid van de ogen waarbij
eventueel dubbelzien wordt opgespoord)
- Een portretfoto
- Een consult bij de endocrinoloog (internist
die zich bezighoudt met de functie van hormonen in het lichaam)
- Laboratoriumbepalingen (bloedonderzoek)
- Echografie onderzoek
Röntgen onderzoek (CT-scan, soms ook een MRI-scan)
En bij meer ernstige vormen tevens:
- Kleuren
zien onderzoek
- Electrofysiologisch onderzoek, VEP Visual
Evoked
Potentials (vergelijkbaar met een EEG onderzoek)
- Gezichtsveldonderzoek
Onderzoek oogspieren
Elk oog heeft zes oogspieren die voor de beweging van de ogen zorgen:
twee rechte oogspieren voor de beweging naar rechts en naar links,
twee rechte oogspieren die voor de beweging naar boven en naar beneden
zorgen en twee schuine oogspieren die onder andere zorgen voor de
rolling van de ogen (zij houden als het ware de wereld rechtop bij
kanteling van het hoofd naar een schouder).
Bij de oogziekte van Graves kan door het ontstekingsproces
in de oogkas de normale beweeglijkheid van één of meer oogspieren
afnemen. Omdat ze dikker en minder elastisch worden, kan er dubbelzien
optreden in één of meer kijkrichtingen.
Onderzoek oogstand en beweeglijkheid
Bij een orthoptisch onderzoek wordt o.a. de oogstand en de beweeglijkheid
van de ogen vastgelegd in een schema. Voor het maken van zo'n schema
zit de patiënt voor een assenkruis en krijgt hij meestal een
hoofdlamp op. Deze dient als hulpmiddel voor de orthoptist om er
zeker van te zijn dat alle oogbewegingen even ver vanuit het midden
worden gemaakt. Vervolgens houdt de orthoptist een rood glaasje voor één
van beide ogen van de patiënt, waardoor deze met dat oog een
rode streep op de muur ziet geprojecteerd. Met het andere oog kan
hij het lichtje en de cijfers op de muur nog zien. De afstand tussen
het lichtje en de rode streep geeft de oogstand weer.
Het is de bedoeling dat de patiënt aangeeft waar de rode streep
staat ten opzichte van het lichtje, afgelezen op de cijferlijnen op
de muur. Dit doet hij achtereenvolgens bij kijken in negen verschillende
richtingen. Dit onderzoek wordt gedaan met een verticale en een horizontale
rode lijn en met de lijn voor elk van beide ogen. Om te onderzoeken
of er een schuine oogspier is aangedaan door het ziekteproces, laat
de orthoptist de patiënt het hoofd kantelen naar de schouders
en hem de rode streep aflezen op de diagonale (schuine) cijferlijnen.
Om gekantelde dubbelbeelden vast te leggen, krijgt de patiënt
een schuine rode streep te zien die door de orthoptist gedraaid wordt
tot de patiënt aangeeft dat hij hem rechtop ziet staan.Terwijl
de patiënt de hoofdlamp nog op heeft, gaat de orthoptist meten
hoe groot het blikveld is waarin de patiënt enkel ziet.
Hiervoor vraagt de orthoptist de patiënt naar het lichtje op de
muur te blijven kijken terwijl hij het hoofd van de patiënt allerlei
kanten op beweegt. Zodra deze het lichtje dubbel ziet, moet hij waarschuwen.
Hess-scherm
Overigens wordt in veel orthoptische praktijken het oogbewegingschema
gemaakt met behulp van een zogeheten Hess-scherm. Dit is een scherm,
waarin rode lampjes zijn gemonteerd, die de onderzoeker om beurten
in elke gewenste kijkrichting kan laten branden. Het onderzoek wordt
dan ook in een verduisterde kamer gedaan.
De patiënt krijgt een bril op met een rood en een groen glas
en plaatst het hoofd op een steun. Hij ziet met het 'rode' oog alleen
de rode lichtjes van het scherm en met het 'groene' oog alleen een
groen lichtje dat hij in de hand heeft gekregen. Het is de bedoeling
dat het groene lichtje op het oplichtende rode lichtje van het scherm
geplaatst wordt. De afstand tussen het rode en het groene lichtje komt
overeen met de oogstand in de betreffende kijkrichting.
Meten oogbeweging
Als volgend onderdeel van het orthoptisch onderzoek worden de bewegingen
van elk oog apart gemeten met een speciaal hiervoor ontworpen apparaat.
De patiënt heeft de kin op een kinsteun en wordt gevraagd een
lichtje te volgen dat naar rechts, links, boven en onder wordt bewogen.
Hierbij worden de ogen om beurten afgedekt. De onderzoeker ziet aan
het oog wanneer dit het bewegende lichtje niet meer kan volgen.
Meten fusievermogen
Een kleine oogstandafwijking kan in veel gevallen worden gecorrigeerd
door de hersenen. Om te bepalen in hoeverre iemand in staat is om
deze oogstandafwijking zelf te corrigeren (zodat er dus geen dubbelzien
optreedt), wordt het zogeheten fusievermogen gemeten: dit is het
vermogen van de hersenen om het beeld van beide ogen te versmelten
tot één beeld. Hiertoe wordt met behulp van een lat
met prisma's met oplopende sterkte de oogstand steeds een beetje
meer veranderd terwijl de patiënt naar het lichtje blijft kijken:
bij ieder sterker glaasje ontstaat er even een kort moment van dubbelzien
dat gecorrigeerd kan worden door de ogen in te spannen of juist te
ontspannen.
Zodra echter de dubbele beelden niet meer kunnen worden versmolten,
is er geen fusie meer mogelijk. Over het algemeen vindt men dit niet
zo'n aangenaam onderzoek omdat dit heel vermoeiend kan zijn. De ogen
moeten immers een steeds grotere inspanning leveren om het lampje enkel
te blijven zien.
Echografieonderzoek
Het echografieonderzoek is goedkoop, eenvoudig, niet belastend voor
de patiënt en absoluut onschadelijk. Het onderzoek duurt ongeveer
15 minuten. Er zijn geen speciale voorbereidingen nodig. U neemt
plaats op een verstelbare stoel, waarna u een verdovende oogdruppel
toegediend wordt. De oogarts zal door middel van een soort vulpotlood
(transducer), dat hij voorzichtig over het ooglid beweegt en later
over het oog, vaststellen of u verdikte oogspieren heeft.
Bij echografie of ultrasonografie worden voorbij de gehoorgrens liggende
trillingen met de transducer door de weefsels van de oogkas gezonden.
Op de overgang van twee verschillende soorten weefsels (bijvoorbeeld
vet en spier), kaatst een deel van de trilling terug, die dan door
het 'vulpotlood' wordt opgevangen en op een scherm wordt geregistreerd.
De rest van de trilling plant zich verder voort en veroorzaakt bij
het passeren van weefselveranderingen steeds nieuwe echo's. Aan het
zo verkregen patroon is niet alleen te zien of, maar ook hoeveel de
oogspier verdikt is. Een belangrijk voordeel van deze methode is, dat
aan het aantal echo's binnen de oogspier te zien is of het een pas
begonnen ontsteking betreft, dus een actieve vorm van de oogziekte
van Graves of een uitgebluste ontsteking (het verlittekend stadium
van de oogziekte van Graves). Dit gegeven is van belang voor de behandeling.
Bij een actieve oogziekte van Graves is het beleid afwachtend of wordt
bestraling of behandeling met Prednison toegepast. In het uitgebluste
stadium kunnen operatieve correcties plaatsvinden. Een nadeel van de
echografie is, dat geen inzichtelijk beeld van het aangezicht en de
oogkassen wordt verkregen, zoals dat bij röntgenonderzoek (de
CT-scan) het geval is. Daarom kan ook röntgenonderzoek verricht
worden want de resultaten van een echografieonderzoek en die van een
CT-scan vullen elkaar prachtig aan. Samenvattend: wanneer de diagnose
'oogziekte van Graves' overwogen wordt, kunnen echografische bevindingen
het klinische vermoeden versterken of onwaarschijnlijk maken.
Röntgen onderzoek (CT-scan, soms
ook een MRI-scan)
Computer Tomografie (CT-scanning) is een röntgenonderzoek waarbij
met behulp van een dun bundeltje röntgenstralen een laagje van
het lichaam afgebeeld wordt. Een Computer Tomogram (CT-scan) komt tot
stand door de röntgenbundel 360 graden rond het lichaam te draaien
en het lichaam als het ware door te meten.
Bij een CT-scan van de oogspieren worden heel dunne laagjes afgebeeld
waarop de oogbol, de oogzenuw, de oogspieren en de bloedvaten zichtbaar
zijn. Tijdens het onderzoek ligt u op uw buik op een tafel met de kin
op en het voorhoofd tegen een steuntje. Het hoofd wordt met klittenband
tegen het steuntje gefixeerd. De tafel schuift in het toestel waarna
er eerst een overzichtsfoto van het hele hoofd wordt gemaakt. Deze
opname dient ter oriëntatie om te bepalen van waar tot waar de
laagjes zichtbaar gemaakt moeten worden.
Hierna worden de laagjes gefotografeerd, waarbij het de bedoeling is
dat u tijdens de opname (elke opname duurt ongeveer 9 seconden) naar
voren kijkt en niet met de oogleden knippert. Het onderzoek, dat 10
tot 20 minuten duurt, is eenvoudig en pijnloos.
Het enige ongemak is de houding waarin u ligt en het feit dat u stil
moet blijven liggen tijdens het onderzoek.
Kleuren zien onderzoek
De patiënt bekijkt een atlas met gekleurde prenten en wordt gevraagd
bepaalde beelden te benoemen (Ishihara kleurentest). De illustraties
bestaan uit gekleurde bolletjes waarin men een cijfer kan ontwaren.
Bij maligne Graves’ Orbitopathie zullen de beelden afwijkend
zijn (zoals ook bij mensen met een aangeboren kleurenblindheid).
Electrofysiologisch onderzoek (VEP)
VEP is de registratie van de lichtprikkel in het oog en de aankomst
van die prikkel in de corticale centra of wel de hersenen. Dit onderzoek
wordt gebruikt als de oogzenuw beklemd dreigt te raken. De patiënt
bekijkt een scherm met lichtbeelden. Er worden draadjes vastgeplakt
op het hoofd, waardoor elektrische stroompjes worden afgeleid naar
een apparaat en geanalyseerd. Hieruit verkrijgt de onderzoeker een
indruk over het functioneren van de oogzenuw.
Gezichtsveldonderzoek
Bij een gezichtsveldonderzoek, ook wel 'perimetrie' genoemd, wordt
de lichtgevoeligheid getest van het oog, de oogzenuwbanen en de hersenen.
Niet alleen het gebied waar u gericht naar kijkt, wordt onderzocht,
maar ook het hele gebied daar ver om heen. Het belangrijkste bij
dit onderzoek is, dat u naar één punt (meestal een
rood lichtje) blijft kijken, dus dat u uw oog heel stil houdt. Rondom
dat fixatiepunt komen lichtjes en iedere keer als u een lichtje ziet
moet u op een knopje drukken.
Het onderzoek is vrij vermoeiend voor de ogen, vanwege de concentratie
die men hiervoor moet opbrengen en kan ongeveer een uur duren. Indien
u oogdruppels gebruikt mag u op de dag van dit onderzoek NIET druppelen.
Belangrijk: u moet de oogdruppels wél meenemen!
Bespreking resultaten
In het geval van dubbelzien, worden eventuele behandelingsmogelijkheden
door orthoptist en/of oogarts met de patiënt doorgenomen. Deze
kunnen bestaan uit:
- Een prismabril: als de dubbele beelden niet te ver uit elkaar
staan, kunnen prisma's in een bril ervoor zorgen dat ze op elkaar
komen. Meestal wordt er eerst een proef gedaan met een prismafolie
(Fresnelprisma)
op de bril om te zien of het kijken op deze manier wel bevalt.
- Advies
voor een operatie aan de oogspieren wordt gegeven als de dubbele
beelden zo ver uit elkaar staan dat ze met een prisma niet op elkaar
te krijgen zijn.
Op grond van het schema van de oogbewegingen wordt bepaald welke operatie
aan welke oogspier(en) het beste resultaat kan (kunnen) geven voor
enkelzien in de belangrijkste kijkrichtingen. Soms is er meer dan één
oogspieroperatie nodig om het kijken aangenaam te maken. Zo nodig kan
na een dergelijke operatie een eventuele restafwijking gecorrigeerd
worden met een prismabril.
Alle genoemde onderzoeken zijn niet pijnlijk maar soms een beetje
vermoeiend voor de ogen. Na deze onderzoeken worden de resultaten met
de patiënt besproken en wordt een behandelplan voorgesteld. Meestal
hebben de Orthoptist, Orbitoloog en Endocrinoloog onderling overleg
omdat de schildklier- en oogaandoening aan elkaar gerelateerd zijn.
Meer informatie over onderzoek en behandelmethoden vindt u in het
boekje ‘De oogziekte van Graves’ bij ‘Publicaties
en Artikelen’-> Publicaties NVGP.