|
standaard letters
grote letters
extra grote letters
![]() De rebus oculariis
In zijn inaugurele rede geeft prof.dr. M.Ph. Mourits, hoogleraar Algemene oogheelkunde aan de Universiteit van Amsterdam, een overzicht van twintig jaar ontwikkelingen en innovaties in de oogheelkunde. Mijnheer
de Rector Magnificus, Mevrouw de Decaan, Voor de meeste studenten geneeskunde is de oogheelkunde niet meer dan
een klein en vrij onbelangrijk vak, dat tot voor kort met dermatologie
en keel, neus en oorheelkunde aan de staart van het medisch curriculum
bungelde. Inderdaad is het oog zelf klein; het meet niet meer dan 24
mm en heeft een volume van slechts 7 cc. Maar… het is tot veel
in staat. Mits zonder afwijkingen en onder de juiste condities kan men
er mee een kaarsvlam op meer dan 20 km afstand zien. Veel belangrijker
is, dat het grote oplossend vermogen van het centrum van het netvlies,
de macula of gele vlek, essentieel is om te kunnen lezen. Wat zijn wij
immers wanneer we niet kunnen lezen? In de huidige tijd vergaren wij
niet minder dan 85% van onze kennis via onze ogen… De oogheelkunde is de geneeskunde in een notendop. De oogarts is zowel internist als chirurg. Hij ziet patiënten van nul tot honderd jaar, mannen en vrouwen. Hij stelt de diagnose, behandelt en controleert. Naast voor het vak specifieke ziekten, zoals refractie-aandoeningen en oogdrukstoornissen, richt de oogarts zich op infectieuze en auto-immuun ontstekingen, op goed- en kwaardige tumoren, op vasculaire en genetisch bepaalde ziekten. Hij herplaatst de positie van de oogbol in de kas en herstelt het bewegingsapparaat van het oog. Soms is de oogarts een soort neuroloog, soms een kinderarts, dan weer een immunoloog. Daarnaast is de oogarts een lasertherapeut. Zó groot is het vak oogheelkunde geworden, dat geen oogarts het hele terrein meer kan overzien. Binnen de oogheelkunde zijn tenminste zeven subspecialiteiten ontstaan, die zover uit elkaar zijn gegroeid, dat de ene subspecialist de andere nauwelijks meer kan vervangen. U begrijpt het al. Ik ben die bekeerde medisch student voor wie er geen mooier medisch specialisme meer bestaat dan de oogheelkunde. Zoals gebruikelijk bij oraties zal ik het hebben over het verleden en de toekomst van mijn vakgebied. Degelijke lieden starten dan in Mesopotamië. Ik maak het u en vooral mijzelf echter gemakkelijk en zal het slechts hebben over de ontwikkelingen binnen de oogheelkunde van de afgelopen twintig jaar. Die heb ik immers van nabij mogen meemaken. In die twintig jaar is er ook veel veranderd in wat wij nu de zorg noemen. Ook daar zal ik bij stilstaan. Terugblik Wereldwijd zijn er 50 miljoen blinden en 150 miljoen slechtzienden, mensen die niet meer kunnen lezen. Cataract of staar, d.w.z. troebeling van de ooglens, is daarvoor nog steeds de belangrijkste oorzaak. Meer dan 45% van de blinden en slechtzienden heeft staar. Waar voldoende middelen zijn is cataract goed te behandelen. In 2001 werden er alleen al in Nederland 90.000 staaroperaties verricht. De staaroperatie is mondiaal één van de meest uitgevoerde operaties en tegelijkertijd één der meest succesvolle ingrepen. Vrijwel iedere Nederlandse oogarts doet in de eerste plaats staaroperaties. Ten tijde van mijn registratie als oogarts in 1986 werd een patiënt met staar opgenomen in het ziekenhuis. De wimperharen werden daags voor de operatie geknipt. Via een relatief grote snee werd de troebele lens weggenomen. Het oogverband werd na enkele dagen door de oudste assistent met veel ceremonieel verwijderd en na een paar dagen mocht de patiënt naar huis. Hij zag dan nog niet veel, want de wondgenezing nam maanden in beslag. Een enkeling kreeg vervolgens een zogenaamde aphakiebril. De glazen hiervan lijken op pindakaas- potbodems en vergroten het beeld zodanig, dat men de thee net naast het kopje schenkt. De meer gelukkigen kregen bij de operatie een kunstlensje, maar ook zij ervoeren het genot van een hersteld gezichtvermogen pas na maanden, wanneer zij eindelijk een nieuwe bril kregen voorgeschreven. Nu gaat de staarpatiënt een paar uur na de lensextractie naar huis en kan vrijwel direct al heel behoorlijk zien. Middels een minimaal sneetje wordt een instrument in het oog gebracht, waarmee de lens kapot getrild en opgezogen wordt. Dit heet phaco-emulsificatie. Een opgevouwen lensje, voorzien van geelfilter, wordt ingebracht, waarvan de sterkte echografisch berekend is. De wond sluit zich zelf. Het geheel gebeurt vaak onder druppelverdoving, waaraan geen naald en dus geen pijn meer te pas komt. Het lijkt een fluitje van een cent, maar vergist u zich niet. Het is een high tech operatie, die een intensieve training vereist. Staaroperaties met implantatie van een kunstlensje worden ook verricht
bij zeer kleine kinderen met aangeboren staar, die vroeger in instituten
voor slechtzienden zouden zijn beland. De ingreep, die veel lastiger
is dan een gewone staaroperatie wordt uitgevoerd door speciaal getrainde
oogartsen, dikwijls een kinderoogarts. Aanpassingen in de operatietechniek
en het gebruik van speciale materialen maken dat de resultaten steeds
beter worden. Het kunstlensje kan namelijk niet accommoderen. Ook de natuurlijke, nog heldere, maar oudere lens kan niet meer accommoderen. In de westerse landen worden wij ouder en moeten we langer blijven werken. Presbyopie of oudziendheid is daarbij een behoorlijke handicap, zoals bijna iedereen van boven de vijftig kan bevestigen. De mogelijkheden om presbyopie te corrigeren zijn beperkt: bi, tri- of multifocale glazen of contactlenzen. Zij laten steeds maar een deel scherp zien. In Zuid-Afrika wordt geëxperimenteerd met implantaties in de harde oogrok. In Amerika wordt gewerkt aan een elektronische bril, waarbij microprocessors de breking van het glas sturen. Ook monovisie is een optie. Hierbij gebruikt u uw dominante oog om scherp te zien in de verte en uw andere oog voor dichtbij. U moet er wel aanleg voor hebben en een laserbehandeling of een contactlens kan nodig zijn. Refractiestoornissen van het oog, zoals oud-, ver- en bijziendheid werden door oogartsen wel gecorrigeerd, maar eigenlijk niet als ziekte gezien. Er is daarom ook relatief weinig onderzoek gedaan. In 1975 wierp de Moscoviet Svjatoslav Fjodorov de knuppel in het hoenderhoek. Met een aantal krasjes in het hoornvlies hielp hij letterlijk aan de lopende band mensen van hun bijziendheid af. De complicaties waren niet gering, maar de teerling was geworpen. Snel werd het mes vervangen door de laserstraal en de ene techniek verving de andere. Via onder andere de photorefractieve keratectomie zijn we beland bij de in situ keratomileusis, beter bekend als LASIK. Het voorste deel van het hoornvlies wordt na insnijding omgeklapt, het stromale hoornvliesweefsel wordt met een excimerlaser geëvaporiseerd, het flapje teruggespateld en “Whow, ik kan zien zonder bril”. Vandaar dat de ingreep in de Verenigde Staten de Whow-operatie wordt genoemd. Het is opmerkelijk, dat in Nederland de ontwikkeling van de refractiechirurgie –daar hebben wij het over- zich geheel buiten de academische centra heeft afgespeeld. Dat komt mogelijk omdat er geen sprake van ziekte zou zijn. De vraag dringt zich op of die perceptie juist is. In Aziatische bevolkingscentra neemt bijziendheid epidemische vormen aan. Onder tweedejaars medicijnstudenten in Singapore bedraagt het aantal bijzienden 90%. Australische onderzoekers stellen dat opleiding en urbanisatie sterk geassocieerd zijn met bijziendheid. Hier ligt een taak voor onderzoekers en refractiechirurgen. Overigens ben ik van mening, dat refractiechirurgie een onderdeel moet worden van de opleiding tot oogarts. Vitreoretinale chirurgie is het oogheelkundig subspecialisme, dat zich via het glasvocht richt op het meest essentiële deel van het oog: het netvlies. Met intrigerende video’s toonde de Nederlander Jan Worst de complexiteit van het glasvocht aan. Niet alleen wordt in de vitreoretinale chirurgie het losliggend netvlies door oogbol-verkleinende technieken of door het inbrengen van expansieve gassen of oliën op zijn plaats gebracht, afwijkende bloedvaatjes worden met een endolaser dichtgeschroeid, pre- of subretinale bloedingen geëvacueerd, vreemdlichamen verwijderd en trauma’s gecorrigeerd. Binnen de vitreoretinale chirurgie tekent zich een subsubgroep af, die zich geheel richt op de gele vlek, dat deel van de retina met een doorsnee van 6 mm en een dikte van 0,2 mm, waar de dichtheid van de kegeltjes het grootst is. Hier is dus sprake van chirurgie op de vierkante millimeter. Niet alleen chirurgische oogartsen houden zich met het netvlies bezig. De medische retinaspecialisten bemoeien zich traditioneel met vasculaire afwijkingen van het netvlies, zoals diabetische retinopathie, afsluitingen van bloedvaten en genetisch bepaalde netvliesaandoeningen. Zij interveniëren met medicijnen en lasers. Met nieuwe apparaten, zoals de Optical Coherence Tomograaf, kunnen zij het netvlies zeer nauwkeurig meten en afbeeldingen maken, die wij vroeger alleen zagen in coupes van het oog bij de patholoog-anatoom. Onze stafleden Reinier Schlingemann en Frank Verbraak verrichten baanbrekend onderzoek op deze terreinen. Een ziekte, die weliswaar al in de 19e eeuw is beschreven, maar bij mijn aantreden in de oogheelkunde nog maar een bescheiden rol speelde, is leeftijdsgebonden maculadegeneratie (AMD). Deze aandoening is nu uitgegroeid tot de belangrijkste oorzaak van slechtziendheid op gevorderde leeftijd in de westerse wereld. Met het ouder worden neemt de kans om AMD te krijgen snel toe. Naar verwachting zal de incidentie zich in de komende twintig jaar verdubbelen. PDT of PhotoDynamische Therapie heet een behandeling gericht tegen deze aandoening. Hierbij wordt een medicijn genaamd verteporfine in de bloedbaan gespoten. Een rode laserstraal gericht op het in de netvliesvaten passerende verteporfine activeert de stof, waardoor vaatlekkage ophoudt te bestaan. Zo’n behandeling kan de ziekte soms tot staan brengen, maar niet genezen. Er lopen nu trials met andere medicijnen, die de vaatgroei remmen. Wellicht leidt een combinatie hiervan met PDT tot betere resultaten. Dames en heren, het is onmogelijk in een tijdsbestek van drie kwartier alle ontwikkelingen in de oogheelkunde van de laatste twintig jaar de revue te laten passeren, maar als orbitoloog/plastisch oogarts kan ik de ontwikkelingen binnen mijn eigen deelgebied niet onbesproken laten. De orbitoloog houdt zich bezig met de weefsels direct rond de oogbol. Om te kunnen functioneren moet het oog permanent bevochtigd worden. Hiervoor is een traanapparaat noodzakelijk en moeten wij per dag zo’n 12.000 keer knipperen. Minieme afwijkingen van de oogleden kunnen dit proces verstoren. De oculoplastische chirurgie heeft zich sterk ontwikkeld na de wereldoorlogen en veel van de technieken toen ontwikkeld worden nog steeds met succes toegepast. Inzicht in de oorzaken van het uitpuilende oog hebben we echter pas gekregen na de introductie van de CT- en de MRI-scan. Meer dan honderd verschillende goed- of kwaadaardige tumoren kunnen de oogbol verplaatsen. De meest voorkomende oorzaak is echter de ziekte van Graves. Dit is een auto-immuun-aandoening, waarbij niet alleen de ogen, maar vooral ook de schildklier en soms de scheenbenen betrokken kunnen zijn. Niet geheel tot onze verrassing bleek vijf jaar geleden uit onderzoek in het AMC, dat lijders aan deze chronische ziekte zich meer gehandicapt voelen dan mensen met suikerziekte. Hierbij speelt het cosmetisch storende aspect van de bolle ogen ongetwijfeld een belangrijke rol, waardoor gemakkelijk een sociaal isolement kan ontstaan. Medicijnen, die ingrijpen op de subtiele communicatie van lymfocyten en bindweefselcellen in de oogkas, hebben nog niet tot een doorbraak in de behandeling geleid. Onze hoop en onderzoek is nu vooral gericht op de rol in de pathogenese van de oogziekte van Graves van de TSH-receptor, die ook buiten de schilklier en met name in de oogkas tot expressie komt. Intussen moeten we ons tevreden stellen met symptoombestrijding. Met een serie operaties, die de oogkas verruimen, de oogmotoriek en de positie van de oogleden corrigeren komen we een heel eind, maar een volledig herstel wordt bij de ernstige patiënten nog zelden behaald. Wel hebben wij kunnen bereiken, dat deze operaties steeds verder verfijnd zijn en minder angstaanjagend zijn geworden en dat blindheid ten gevolge van de ziekte kan worden voorkomen. Vaak blijkt uit onderzoek, dat bepaalde behandelingsmethoden niet effectief zijn. Dat is dan teleurstellend, maar toch erg belangrijk voor onze ‘evidence based medicine’. Zo hebben wij als eersten vastgesteld, dat de over de hele wereld toegepaste radiotherapie bij de oogziekte van Graves slechts een beperkt indicatiegebied heeft. Ook het immunosuppressieve middel cyclosporine bleek slechts een geringe toepasbaarheid te hebben. Momenteel richten wij ons weer op prednison, maar dan intraveneus toegediend in de verwachting dat de bijwerkingen minder zullen zijn. Hiervoor is veel klinisch gebonden research nodig. Om sneller tot resultaten te komen is internationale samenwerking daarbij onontbeerlijk. De door Wiersinga en Prummel gestarte European Group on Graves’ Orbitopathy, de EUGOGO, is een initiatief op dit terrein, dat zijn vruchten begint af te werpen. Vorderingen om na verwijdering van een ziek oog optimale cosmetische
resultaten te verkrijgen –dus zeg maar zonder dat je iets afwijkends
kunt zien- verlopen met vallen en opstaan. Amerikaanse onderzoekers introduceerden
een oogimplantaat, waaraan via een soort schroefje de oogprothese kan
worden bevestigd. Hiermee moest een natuurgetrouwe nabootsing van de
oogbewegingen worden gerealiseerd. Een succes is dit systeem niet geworden
doordat er veelvuldig uitstoting optrad. Het moge duidelijk zijn, dat technologische ontwikkelingen deze applicaties mogelijk maken. Zo heeft de endoscoop, een uiterst dun buisje met een lichtbron, gekoppeld aan een camera, zijn intrede gedaan in de orbitologie, in het bijzonder in de traanwegchirurgie. Via de neus worden belemmeringen in het traanafvoersysteem verwijderd zonder dat er een zichtbaar litteken ontstaat. In het AMC wordt meer dan de tweederde van alle patiënten met tranende ogen op deze manier geopereerd. Oogtumoren, die chirurgisch niet volledig kunnen worden verwijderd, kunnen worden nabehandeld met brachytherapie, waarbij radioactieve iridiumnaalden in het operatiegebied worden achtergelaten. Dit gebeurt onder meer bij het rhabdomyosarcoom, een zeer kwaadaardige oogkastumor bij kinderen, waarvoor in het AMC het zogenaamde AMORE-protocol is ontwikkeld. AMORE beoogt de lokale behandeling te intensiveren en late effecten van uitwendige bestraling te voorkomen en lijkt dat met succes te doen. Het meningeoom is een goedaardige tumor uitgaande van de hersenvliezen, die vooral bij vrouwen van middelbare leeftijd voorkomt. Het is een van de meest frequente gezwellen, die wij in de oogkas zien. Ook hier wordt vooruitgang geboekt. In het UMC Utrecht is een orbitocraniofaciale groep in het leven geroepen, bestaande uit een neurochirurg, een KNO-arts, een plastisch chirurg, een kaakchirurg en een oogarts. Samen behandelen zij gecompliceerde aandoeningen, die zich in en rond de oogkas voordoen. Het meningeoom is hiervan een fraai voorbeeld. Meningeomen, die vooral botwoekering veroorzaken worden geopereerd door neurochirurg Jan-Willem Berkelbach van der Sprenkel en indien nodig één van de orbitologen. Nieuw hierbij is het gebruik van neuronavigatie. Hierbij zijn gegevens van beeldvormend onderzoek opgeslagen in een computer, welke tijdens de ingreep in de operatiemicroscoop over het werkelijke beeld worden geprojecteerd. Precisiechirurgie komt op deze manier onder handbereik. Meningeomen, die niet voor operatie in aanmerking komen, worden sinds enkele jaren bestraald. Door middel van nieuwe technieken, zoals de stereotactische, worden de complicaties tot een minimum beperkt. Net als patiënten met de ziekte van Graves moeten patiënten met een meningeoom leren leven met hun aandoening, want een werkelijk volledig herstel is meestal nog een illusie. Patiëntenverenigingen kunnen hierbij een belangrijke rol spelen. We kunnen ons in Nederland gelukkig prijzen met het bestaan van dergelijke verenigingen. Laat ik thans vooruitblikken Zonder aarzeling voorspel ik fraaie en minder fraaie gebeurtenissen. Tot de laatste categorie behoort de terugkeer van ‘ouderwetse’ infectieziekten. Tot de categorie die ook tot somberheid stemt, behoort de toename van huidtumoren, die op de oogleden worden aangetroffen. Ofschoon vaak goed te behandelen, is voorkomen ook hier beter dan genezen. Voorkomen betekent minder in de zon. Diverse veel voorkomende oogziektes vinden hun oorsprong in een zieke vaatwand, waardoor de permeabiliteit verandert en de vorming van nieuwe bloedvaten wordt gestimuleerd. Deze nieuwe bloedvaten zijn van slechte kwaliteit en veroorzaken desastreuze bloedinkjes. Veel onderzoek is gericht op deze neovasculogenese en een generatie van vaatwoekeringsremmers wordt verwacht. Vooral voor patiënten met suikerziekte zouden deze een uitkomst kunnen zijn. Futurologen verwachten, dat na de revolutie van de informatietechnologie, genomics aan de beurt is en dat vervolgens het tijdperk van de nanotechnologie zijn intree zal doen. Zo staan wij nu op de drempel van het tijdperk van de gentherapie. Intensieve ‘gene hunting’ zorgt ervoor dat vrijwel dagelijks defecte genen worden opgespoord, die verantwoordelijk zijn voor of een rol spelen bij het ontstaan van ziektes. Bij de al genoemde leeftijdsgebonden maculadegeneratie is sprake van een genetische predispositie. De maculadegeneratie van Stargardt, die voorkomt op jonge leeftijd wordt Mendeliaans overgeërfd. Wanneer men in staat zou zijn de zieke genen te vervangen, voordat de gevolgen merkbaar zijn, wordt de ziekte voorkomen. Hoe zou dat kunnen? Een gemuteerd virus met een stukje DNA, dat het zieke gen moet gaan vervangen, wordt ingespoten in de patiënt en vindt zijn weg naar de cellen van de gastheer. Het bewuste stukje DNA wordt ingebouwd in het eigen DNA en komt vervolgens tot expressie, et voilà. Een proefhond, met gentherapie behandeld voor een vorm van retinitis pigmentosa, waardoor hij blind zou worden, ziet vijf jaar na de behandeling beter dan voorheen. Dat geeft hoop, maar grote problemen moeten toch nog overwonnen worden. Hoe zorgen we dat het stukje DNA op de juiste plaats komt? Hoe komt het tot expressie? Wat is de toxiciteit van de behandeling? Ik kom hier straks in “Plannen voor de Toekomst” op terug. Mensen reageren vaak verschillend op geneesmiddelen. De glaucoomspecialisten onder de oogartsen weten dat maar al te goed. Ontwikkelingen binnen de klinische en moleculaire genetica leggen de oorzaak van deze individuele respons bloot en maken op maat gesneden behandeling op termijn mogelijk. Wel de vóór-, niet de nadelen van de medicijnen. In de oogheelkunde hebben wij ook met zogenaamde stapelingsziekten te maken. Dat zijn aandoeningen, waarbij door het ontbreken van een enzym, afvalstoffen zich ophopen in allerlei weefsels, waaronder het oog. Sommige van deze enzymen kunnen kunstmatig gemaakt worden en voorkomen of remmen de ziekteverschijnselen. Deze medicijnen zijn echter razend duur. Economische motieven zouden de ontwikkeling van meer van dit soort, zogenaamde weesgeneesmiddelen, kunnen belemmeren. Dat brengt mij op een volgend onderwerp. De (oog-)arts en de maatschappij De dokter heeft een ambivalente relatie met de maatschappij. Enerzijds wordt hij, mits toegewijd en vriendelijk, nog steeds op handen gedragen door zijn patiënten, anderzijds wordt hij verguisd. Voor het gemak ga ik maar even door in de hij-vorm, al realiseer ik mij, dat meer dan 70% van de aankomende artsen vrouw is. De mannelijke student scheept zich niet meer in op het zinkende schip van de gezondheidszorg, maar dit terzijde. In de jaren 70 van de vorige eeuw bestond er een goed op elkaar afgestemde samenwerking tussen huisarts en specialist. De patiënt was minder assertief dan tegenwoordig en volgde hun adviezen meestal op. Artsen werkten wel 80 uur per week. De kwaliteit van huisartsen en van specialisten werd gewaarborgd door een grondige selectie en een goede opleiding. Mocht tijdens zijn training een assistent in opleiding tot oogarts blijk geven van onvoldoende operatieve vaardigheden, dan kreeg hij van zijn professor het dringende advies zich te richten op het niet-chirurgische deel van de oogheelkunde. Vaak werden dit voortreffelijke oogartsen. Sancties waren zelden nodig. De beroepsgroep controleerde zichzelf en in de kleine specialistengemeenschappen vielen de brokkenpiloten gemakkelijk door de mand. Op deze manier werd in Nederland een gezondheidszorg gerealiseerd, die relatief goedkoop was en tot de beste tien ter wereld werd gerekend. Men sprak graag van geneeskunst. Maar om Wim Sonneveld te parafraseren: “Blijkbaar was wat zij deden verkeerd”. Het moest allemaal anders. Als goed herkenbare groep kwamen de medische specialisten na de tweede wereldoorlog als eerste tot een zekere welstand: boot, huisje in Frankrijk, tweede auto, derde huwelijk en dat alles breed uitgemeten in het blad ‘Arts en auto”. Dit wekte jaloezie. Een niet aflatende stroom maatschappelijke kritiek kwam op gang. De medisch specialist was autoritair. De medisch specialist was een zakkenvuller. De arrogante specialist moest van zijn voetstuk worden gehaald. Zijn inkomen, dat verantwoordelijk werd gehouden voor de stijging van de kosten in de gezondheidszorg, moest fors omlaag. De specialist als kleine zelfstandige moest verdwijnen. Hoe reageerde Den Haag op dit door de media gevoede ‘Volksempfinden’? Naarstig werd gezocht naar argumenten. Een vaak gehanteerde stelling was, dat door de dubbele vergrijzing van de Nederlandse bevolking, de kosten onbeheersbaar zouden worden. Dit soort voorspellingen waren slecht onderbouwd. Mensen blijken pas in de laatste fase van hun leven kostbaar te worden voor de zorg, of die fase nu vroeg of laat komt. In Amerika, dat beleidsmakers graag als voorbeeld kiezen, is geen sprake van een dubbele vergrijzing, toch zijn de kosten van de zorg daar heel veel hoger. De dokters echter, druk met hun patiënten, lieten zich inpakken. Ze werden radertjes in de grote gefuseerde ziekenhuizen. In het medisch-specialistisch bedrijf kregen managers het voor het zeggen en de specialisten een beperkte uitvoerende taak. Maar nog was het niet genoeg… De specialist moest ál zijn macht worden ontnomen. De wachtlijsten werden langer en de specialist werd een lopende band bediende. Oogartsen lieten zich opjagen om staaroperaties steeds sneller uit te voeren. Geen vier, maar acht of zelfs twaalf staaroperaties op een ochtend. Wie houdt dat vol? Burn out, vervroegde uittreding uit het arbeidsproces. Kapitaalvernietiging dus. De ene na de andere commissie werd in het leven geroepen om de problemen te analyseren en waar zijn wij nu beland? Wantrouwen heeft gezegevierd! Jane Jacobs spreekt van een ‘monstrous hybrid’, een maatschappelijk gedrocht, dat is ontstaan door vermenging van verschillende waardesystemen. Marktmechanisme is het toverwoord, maar de gezondheidszorg is geen markt. De vraag naar zorg is oneindig en zorg is onontbeerlijk en geen luxe product. Sinds de val van de Berlijnse Muur menen veel beleidsmakers, dat met privatisering en marktwerking ieder maatschappelijk probleem kan worden opgelost. In de publieke sector geldt echter een ander normen- en waardensysteem dan op de vrije markt. Concurreer zegt de markt, maar met wie in de zorg? Nederland heeft ongeveer tien oogartsen, gespecialiseerd in de orbitologie. In Leiden, Rotterdam, Maastricht, Utrecht en Amsterdam. Moeten zij gaan concurreren? Daarvoor bestaat geen enkele prikkel, want zij komen nu al om in het werk. Bovendien delen zij dezelfde standpunten en delen zij hun ervaringen graag met elkaar. Van geheimhouding, voorwaarde voor concurrentie, is in de geneeskunde gelukkig nooit sprake geweest. Uitwisseling van ideeën verbetert de kwaliteit van de zorg en is dus in het belang van de patiënt. Concurreren? Ik had het al over de steeds toenemende specialisaties binnen de medische vakgebieden. Subspecialisten hebben te maken met zeldzame ziekten. Zij richten zich daarom op patiënten uit het hele land. Er is een verdeling van taken ontstaan. Voor een oogmelanoom moet u naar Leiden, voor een retinoblastoom naar het VU-medisch centrum en voor een rhabdomyosarcoom –ik zei het al- naar het AMC, want daar is de meeste expertise. Oogheelkundig Nederland concurreert niet, maar werkt samen! Sluit vrijwillig overeenkomsten zegt het marktmechanisme. Vertaald: Koop zorg goedkoop in. Ik zal u een voorbeeld geven waar dat toe kan leiden. Een patiënt wordt verwezen vanwege een hangend ooglid, waardoor het oog feitelijk blind is. Nu is het ene hangende lid het andere niet. Dit was een lastig geval van hangen. De verwijzend oogarts meende terecht dat doorverwijzing naar een academisch centrum noodzakelijk was. Ik vraag toestemming voor vergoeding aan voor de ingreep bij de zorgverzekeraar, maar de zorgverzekeraar, die niet weet wat een hangend ooglid is, zegt dat lidoperaties niet worden vergoed. Omdat meneer echter een aanvullende verzekering heeft, mag de ingreep wel worden uitgevoerd in één van haar MediNova-klinieken. Prachtig, alleen werd meneer nu juist verwezen omdat elders niet de expertise voor de ingreep in huis was. Niet, júist niet in Medinovaklinieken. Zo draaien we in kringetjes rond. Onze planningassistenten hebben er een dagtaak bij gekregen. Waartoe marktwerking in de zorg kan leiden, wil ik ook illustreren met het volgende voorbeeld. Kortgeleden zag ik een man met een blind oog. De dag tevoren zou hij vanwege staar worden geopereerd. Bij de verdoving was een bloeding ontstaan, de operatie was uitgesteld en de patiënt was naar huis gestuurd. De volgende dag zag hij niets meer met het oog en hij zal er nooit meer mee kunnen zien. Deze man gebruikte stollingstherapie, maar er was preoperatief geen stollingsonderzoek gedaan. “Daarvoor was geen geld geweest”, aldus de oogarts in kwestie, want –en ik citeer- “de door de zorgverzekeraar aan de oogarts opgedrongen bodemprijs voor de staaroperatie liet daar geen ruimte voor”…. In Utrecht wordt gezocht naar een locatie om een staarstraat te bouwen. U hoort het goed, niet een wasstraat, maar een straat, waar aan de lopende band staaroperaties worden verricht. Er zal flink geïnvesteerd worden in bouw en aankleding. Voor vóór- of nazorg is echter geen gelegenheid. Complicaties gaan naar de academische ziekenhuizen, waar niemand er straks nog raad mee weet, want daar zit men tegenwoordig juist verlegen om patiënten met staar. Volgt u het nog? De operatiekamers daar, vol met microscopen en andere kostbare apparatuur, liggen er verlaten bij. Operateurs verliezen hun ervaring en assistenten krijgen geen gelegenheid meer staaroperaties te leren. Straks moeten de staarstraten bemand worden met buitenlandse oogartsen. Zie hier hoe de Nederlandse gezondheidszorg verkwanseld wordt! U staat erbij en u hoort ervan! Een collega van mij vroeg, vooruitlopend op de te verwachten gentherapie, DNA-onderzoek aan bij een patiënt met een erfelijke oogziekte. De zorgverzekeraar zag er het nut niet van in en weigerde. Vroeger hadden wij nog collega-artsen als gesprekspartners bij de zorgverzekeraars. Nu worden onze brieven beantwoord door ‘teamleiders klinische garanties’ of ‘managers medische beoordelingen en zorgservice’. Welke medische opleiding, if any, zij hebben gehad is ons niet duidelijk, maar zij bepalen voortaan wel wat goed voor u is. De oogarts en de oculoplast kennen tientallen aandoeningen van de oogleden: entropion, ectropion, coloboom, retractie, trichiasis, blepharoptosis, dermatochalazis en ga zo maar door. Een ptosis kan aangeboren zijn of verworven door een trauma of een ziekte of door ouderdom en ga zo maar door. Voor iedere aandoening bestaan er verschillende correctietechnieken. Willens en wetens heeft de minister van VWS vrijwel alle ooglidaandoeningen op één hoop geveegd en uit het zorgpakket geschrapt. Waarom in godsnaam? Ik vermoed dat ik het weet. Dermatochalazis is een situatie, waarbij de huid van het ooglid ruim is. Of dit een probleem is of niet hangt af van de persoon in kwestie. Vrouwen kunnen hun ogen niet makkelijk opmaken bij een te ruime ooglidhuid en zullen dit feit dan al gauw als een probleem ervaren. Maar wallen om de ogen werken ook op andere manieren storend. Amerikaans onderzoek heeft uitgewezen, dat verdikte oogleden, zeg maar wallen, geassocieerd worden met een slechte levensstijl, alcoholmisbruik, zelfverwaarlozing. Verder blijkt, dat mensen met wallen om de ogen slechter scoren bij sollicitaties dan fris-ogende collega’s. Wie wil niet bij die laatste categorie horen? Als je er nog niet bij stil had gestaan, wordt je door de televisie wel op gedachten gebracht. De afgelopen jaren hebben wij een hausse gezien aan aanvragen voor ooglid-lifting. De regel was dat de ingreep alleen bij een medische indicatie voor vergoeding in aanmerking kwam. Maar waar ligt de grens? Tot mijn niet geringe verbazing, kregen patiënten van rond de 30,
bij wie geen medische indicatie bestond, zonder mankeren toestemming
van hun verzekering, terwijl ernstig misvormde Graves-patiënten
die niet kregen. Waarom geen overleg? In twintig jaar ben ik slechts
door één verzekeringsgeneeskundige hiervoor benaderd. In de zeventiger jaren is op slecht gefundeerde veronderstellingen een veranderingsproces in gang gezet, dat een eigen momentum heeft gekregen, vrijwel onafhankelijk van politieke kleur. Het rolt als een steeds groeiende modderstroom door ons land en in plaats dat het kosten inperkt, genereert het kosten. Zestien miljoen euro is nodig om de bevolking uit te leggen hoe het nieuwe systeem in elkaar zit. Met het DBC-systeem, dat ons door de strot is geduwd, valt niet te werken en het keert zich tegen ons. VWS heeft duizenden extra ambtenaren nodig. De premies gaan omhoog. De koopkracht daalt, ondanks een aantrekkende economie. Het veld waarschuwt, maar wordt niet gehoord. Ik kijk bezorgd uit naar het basispakket, dat per 1 januari voor alle Nederlanders van kracht wordt. Wat zit er in en wat zit er niet in? Een goed afgebakend zorgpakket is de basis van de gezondheidszorg. Wat mij betreft mag dat pakket rechtstreeks worden gefinancierd uit belastinggelden en dan gratis tussen aanhalingstekens worden aangeboden in onze ziekenhuizen door specialisten in loondienst. Voor de reguliere zorg, dus die van het basispakket, géén marktwerking, géén zorgverzekeraar, géén onnodige bureaucratie. Weg ondeskundige ‘teamleiders klinische garanties’,‘managers medische beoordelingen en zorgservice’, weg geldverslindende reclame’s, marketingadviseurs, topsalarissen van zorgdirecteuren, loodzware bureaucratische molochen. Naast de gratis reguliere zorg van het basispakket mag er wat mij betreft een tweede zorgsector komen, waar alle vormen van zorg worden geleverd die niet in het basispakket zitten. Laat hier het marktmechanisme hier zijn werk doen, maar maakt deze sector dan volledig vrij van overheidsbetutteling, want op het huidige halfslachtig beleid zit niemand te wachten. Welke zijn mijn plannen voor de toekomst? Mijn plannen voor de toekomst zijn niet spectaculair. Ik wil assistenten opleiden tot goede oogartsen en kritische mensen, die hun eigen resultaten evalueren en daarnaar handelen. Precies zoals ik zelf ben opgeleid. Binnen de context van een divisie-afdeling van een academisch ziekenhuis wil ik bijdragen aan een sfeer, waar het goed toeven is voor de patiënt en de verpleegkundige, voor de arts en de TOA, de orthoptiste en de fotograaf, de secretaresse en de onderzoeksmedewerker, terwijl er toch hard en efficiënt gewerkt wordt. Dit is alleen mogelijk, wanneer onze polikliniek grondig verbouwd en geherstructureerd wordt. In het AMC zullen wij ons richten op complexe ziektebeelden, waarbij de individuele behandeling zoveel mogelijk aan klinisch onderzoek zal worden gekoppeld. De meer gestandaardiseerde zorg, die wij niet willen en kunnen afstoten vanwege het feit, dat wij een opleidingskliniek zijn, zullen we, gedwongen door de omstandigheden, concentreren in een zorgbehandelcentrum en misschien een privé-kliniek. Ik wil het onderwijs aan de studenten houden op het hoge peil, waarop Christine Langerhorst en Richard Zeegers het gebracht hebben, ook wanneer Christine ons straks gaat verlaten. Ivanka van der Meulen loopt zich hiervoor al warm. Naast mijn aanstelling in het AMC houd ik een deeltijdaanstelling in het UMC Utrecht. Beide ziekenhuizen hebben een strategische alliantie. Ik hoop hier de rol van bruggenbouwer te kunnen spelen. Zoals ik in het begin van mijn voordracht al aangaf, beheerst de ene oogheelkundige subspecialist het terrein van de andere niet meer. Dit is een probleem bij de diensten ’s nachts en in het weekend. Willen wij in de toekomst topzorg ook buiten kantooruren garanderen, dan zijn regio-afspraken een voorwaarde. Ook voor de wetenschap is samenwerking aantrekkelijk. Het AMC en het IOI – het Interuniversitair Oogheelkundig Instituut- hebben vroeger op diverse terreinen een uitstekende samenwerking gekend. Eén daarvan was de ophthalmogenetische onder leiding van Willem Delleman. Zeker nu wij binnenkort van start kunnen gaan met gentherapeutische studies bij de mens, willen wij die samenwerking weer tot bloei brengen. Daarom heb ik met Arthur Bergen, hoogleraar moleculaire genetica en Nico Leschot, hoogleraar klinische genetica een ophthalmogenetisch spreekuur in het leven geroepen, dat geleid gaat worden door Liesbeth Prick, die haar sporen al op veel terreinen heeft verdiend. Andere AMC-oogartsen zullen hier nauw bij betrokken worden. Daarnaast staan wij op punt een strategisch consortium te starten met het AMT en centra in Frankrijk en Moorfields, Engeland. Naast mijn rol van bestuurder van een afdeling, zal ik mij qua patiëntenzorg blijven richten op de orbitapatiënt en de Gravespatiënt in het bijzonder. Voormalig chef-de-policlinique Noortje Regensburg is bij mij een promotie-onderzoek gestart naar de verschillende presentaties van de oogziekte van Graves. Daarnaast wordt meer fundamenteel onderzoek naar deze aandoening door Wiersinga en mij in gang gezet. Peerooz Saeed en Lelio Baldeschi zijn al vergevorderd met hun promotie-onderzoeken in de orbita. Het ‘Orbita Centrum’ van Amsterdam heeft een wereldreputatie en dat willen wij graag zo houden. Tot slot mijn dankwoord Ik heb gezegd 9 september 2005
|